Home   De Swaef   Begeleiding

Begeleiding

Begeleiding voor alle leerlingen

Elke klas heeft een eigen mentor. De mentor is het eerste aanspreekpunt, zowel voor leerlingen als ouders. Hij is op de hoogte van de individuele omstandigheden van elke leerling, verzorgt de administratie rond cijfers, rapporten en andere schoolzaken. Hij geeft invulling aan de bespreking van leerlingen tijdens rapportenvergaderingen en in zorgoverleggen en adviseert over de leerroute door de school. Ook stimuleert en motiveert hij zijn groep. Tijdens voorlichtingsavonden en ouderspreekavonden is de mentor er om met de ouders van zijn leerlingen in gesprek te gaan.
Ook bij het advies over de keuze van de leerweg (basis of kader) en afdeling is de mentor de spil in de begeleiding. Deze keuze wordt gemaakt in het 2e leerjaar. Bij dit keuzeproces zijn ook de vakdocenten en decanen nauw betrokken.

Op locatie De Swaef zijn 5 teams: één in de onderbouw en 4 in de bovenbouw. De adjunct-directeur geeft leiding aan het team en is verantwoordelijk voor verlofaanvragen e.d. Deze laatste taak is vaak overgedragen aan een teamondersteuner.

Nieuwe brugklasleerlingen krijgen in juni, voorafgaand aan het nieuwe schooljaar, een kennismakingsmiddag met de mentoren en de adjunct-directeur. Op de eerste dag van het nieuwe schooljaar (de introductiedag) maken ze verder kennis met de school en omgeving. In de week voor de herfstvakantie gaan de brugklassen drie dagen op kamp, ter bevordering van het groepsproces.


Specifieke zorg

Binnen het zorgoverleg (het zorgadviesteam) wordt op voordracht van de mentor een leerling besproken die wellicht extra zorg nodig heeft. Deze extra zorg kan in verschillende vormen worden geboden en is afhankelijk van de geconstateerde problemen.
Leerlingen die uitvallen bij de vakken Nederlands, wiskunde en Engels komen vaak in aanmerking voor bijles. Tijdens de bijles wordt begeleiding gegeven voor het specifieke probleem. Na ongeveer 6 weken wordt de voortgang bekeken.
Voor bepaalde leerlingen kan het nuttig zijn begeleiding te geven op het gebied van denkvaardigheden. Dit gebeurt via het Instrumenteel Verrijkings Programma (IVP) door een IVP-docent.
Bij faalangst wordt de faalangstbegeleider ingeschakeld. Zowel begeleiding in groepen (te denken valt b.v. aan examenvreestraining) als individuele trajecten zijn mogelijk.
Er kan een training rond sociale vaardigheden aangeboden worden voor leerlingen die op dit gebied wat tekort schieten.
Voor leerlingen die snel ‘zondebok’ zijn, is zondebokbegeleiding mogelijk. Vaak gaat het om het meer weerbaar maken van de leerling.
Begeleiding door de orthopedagoog of de maatschappelijk werkende is eveneens mogelijk. De eerste houdt zich vooral bezig met begeleiding op het gebied van leren in alle facetten. De laatste geeft begeleiding rond persoonlijke problemen, waarbij wellicht ook de thuissituatie een rol speelt.

Aan het begin van de brugklas worden alle leerlingen getoetst op taalvaardigheid. Zo nodig worden zij verder getest voor dyslexie. Leerlingen met dyslexie krijgen extra faciliteiten, b.v. meer tijd voor repetities, maar ook gerichte begeleiding.

In geval van meer verdergaande klachten over personen die bij de school betrokken zijn, kunnen leerlingen, ouders en personeel zich richten tot een vertrouwenspersoon. De vertrouwenspersonen behandelen de informatie discreet en hebben in hoofdzaak een adviserende taak. Door bemiddeling proberen ze geschillen op te lossen.

LWOO of LGF

Via de aanmelding wordt voor potentiële leerlingen met lwo (leerwegondersteuning) een lwo-beschikking aangevraagd. Plaatsing van deze leerlingen gebeurt afhankelijk van de nodige zorg en begeleiding in één van de leerwegen. Bij de behoefte aan meer begeleiding speelt de groepsgrootte vaak een rol. In de onderbouw zijn de basisklassen dan ook relatief klein (maximaal 14 leerlingen). De schakelklassen zijn iets groter (maximaal 19 leerlingen) maar geven nog genoeg ruimte tot extra begeleiding.
In de bovenbouw is er een zorgassistent die voor leerlingen met lwo extra zorg binnen of buiten de les mogelijk maakt.
Leerlingen met Leerling Gebonden Financiering (lgf) krijgen in de meeste gevallen extra begeleiding van de mentor. Een ambulant begeleider is voor deze leerlingen op de achtergrond van de begeleiding altijd aanwezig.
 
Soms is specialistische hulp nodig. Dan moeten we leerlingen verwijzen naar externe hulpverlening zoals Eleos of Riagg. Het kan ook een verwijzing – al of niet tijdelijk – zijn naar een andere vorm van onderwijs: het LeerWerkTraject (lwt), de Reboundvoorziening, de RMPI-school of de cluster IV-voorziening.

Diploma, certificaat of getuigschrift

Onze zorg en begeleiding is er op gericht dat elke leerling een vmbo-diploma op zijn of haar niveau behaalt. Toch blijkt dit niet altijd voor elke leerling haalbaar. Naast de mogelijkheid van verwijzing (zoals hierboven aangegeven) kan in plaats van een diploma een certificaat gehaald worden voor de vakken waarin de leerling geslaagd is.
Een andere mogelijkheid is een getuigschrift: een leerling heeft dan delen van het programma met goed gevolg afgerond. In beide gevallen is doorstroming mogelijk naar het mbo niveau 1.